De feiten
De
verdachte zou met opzet persoon A tijdens een waterpolowedstrijd lang onder
water hebben gehouden, waardoor persoon A niet kon ademen. Verder heeft persoon
A hier zwaar lichamelijk letstel aan overgehouden.(posttraumatische stressstoornis).
De verdachte heeft zowel ter terechtzitting als bij de politie verklaard dat zij verhaal wilde halen waarom persoon A steeds een medespeelster van de verdachte trapte. Daarbij heeft zij persoon A ter hoogte van haar borst aan haar zwempak vastgepakt. Daarbij was het gezicht van persoon A steeds boven water, aldus verdachte. Na ongeveer een halve minuut kwamen van alle kanten mensen naar hen toe gezwommen, die hen uit elkaar hebben gehaald.
De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring tegengesteld is aan en daardoor niet ondersteund wordt door onder andere de getuigenverklaringen van beide scheidsrechters. Deze getuigen verklaren dat het zusje van de verdachte in conflict komt met persoon A, waarbij persoon A door haar al onder water wordt geduwd. Daarop zwemt de verdachte naar beide dames toe en duwt en houdt persoon A samen met haar zusje meermalen onder water. Ook de verklaringen van de overige 11 getuigen die zijn gehoord en waarvan de verklaringen zich in het politiedossier bevinden, zijn in overeenstemming met voormelde verklaringen van de scheidsrechters. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte persoon A onder water heeft geduwd en gehouden.
Overwegingen rechtbank
De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair ten laste gelegde, omdat zij geen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van persoon A.
De bewijsoverwegingen van de rechtbank:
Buiten redelijke twijfel is vast te stellen met welke intensiteit en duur persoon A door de verdachte onder water is geduwd en gehouden is de rechtbank van oordeel dat de kans dat persoon A hierdoor zou komen te overlijden niet aanmerkelijk is. De rechtbank zal verdachte dan ook van het primair ten laste gelegde feit vrijspreken.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet niet alleen vereist is dat verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans, maar dat zij deze kans ten tijde van de gedraging welbewust heeft aanvaard. Van degene die weet heeft van een aanmerkelijke kans, maar die ervan uitgaat dat het gevolg niet zal intreden kan wel gezegd worden dat zij met (grove) onachtzaamheid handelt, maar niet dat zij met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld.
De verdachte heeft zowel ter terechtzitting als bij de politie verklaard dat zij verhaal wilde halen waarom persoon A steeds een medespeelster van de verdachte trapte. Daarbij heeft zij persoon A ter hoogte van haar borst aan haar zwempak vastgepakt. Daarbij was het gezicht van persoon A steeds boven water, aldus verdachte. Na ongeveer een halve minuut kwamen van alle kanten mensen naar hen toe gezwommen, die hen uit elkaar hebben gehaald.
De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring tegengesteld is aan en daardoor niet ondersteund wordt door onder andere de getuigenverklaringen van beide scheidsrechters. Deze getuigen verklaren dat het zusje van de verdachte in conflict komt met persoon A, waarbij persoon A door haar al onder water wordt geduwd. Daarop zwemt de verdachte naar beide dames toe en duwt en houdt persoon A samen met haar zusje meermalen onder water. Ook de verklaringen van de overige 11 getuigen die zijn gehoord en waarvan de verklaringen zich in het politiedossier bevinden, zijn in overeenstemming met voormelde verklaringen van de scheidsrechters. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte persoon A onder water heeft geduwd en gehouden.
Overwegingen rechtbank
De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair ten laste gelegde, omdat zij geen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van persoon A.
De bewijsoverwegingen van de rechtbank:
Buiten redelijke twijfel is vast te stellen met welke intensiteit en duur persoon A door de verdachte onder water is geduwd en gehouden is de rechtbank van oordeel dat de kans dat persoon A hierdoor zou komen te overlijden niet aanmerkelijk is. De rechtbank zal verdachte dan ook van het primair ten laste gelegde feit vrijspreken.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet niet alleen vereist is dat verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans, maar dat zij deze kans ten tijde van de gedraging welbewust heeft aanvaard. Van degene die weet heeft van een aanmerkelijke kans, maar die ervan uitgaat dat het gevolg niet zal intreden kan wel gezegd worden dat zij met (grove) onachtzaamheid handelt, maar niet dat zij met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld.
De beslissing
De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte poging tot doodslag als bedoeling had, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken. De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte wel zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt bij persoon A (posttraumatische stressstoornis), door persoon A aanmerkelijk lang onder water te duwen en te houden.
De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte poging tot doodslag als bedoeling had, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken. De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte wel zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt bij persoon A (posttraumatische stressstoornis), door persoon A aanmerkelijk lang onder water te duwen en te houden.
De
rechtbank is van oordeel dat aan verdachte een werkstraf voor de duur van 120
uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis dient te worden opgelegd met
aftrek van de door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd. Daarnaast zal de
rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden
voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren opleggen om verdachte in te
prenten dat een gedraging als de onderhavige uiterst kwalijk is en zij die in
de toekomst moet vermijden.
De rechtbank acht voor de immateriĆ«le schade een bedrag van € 800 op zijn plaats.
De rechtbank acht voor de immateriĆ«le schade een bedrag van € 800 op zijn plaats.
De uitspraak dtaat HIER

Geen opmerkingen:
Een reactie posten