Het sport en recht blog is verplaatst naar het volgende adres:
http://sportenrecht.blogspot.com/
donderdag 15 maart 2012
zondag 11 maart 2012
vrijdag 9 maart 2012
Schaalmodel NAC stadion is verveelvoudiging in zin auteurswet. inbreuk rechten architect.
LJN: BT2760, Rechtbank Arnhem , Datum: 27-09-2011
Dat in het miniatuurmodel van Fanahave de wezenlijke kenmerken van het stadion zijn overgenomen ligt overigens ook voor de hand, omdat Fanahave juist een product op de markt heeft willen brengen dat een min of meer natuurgetrouwe weergave vormt van het oorspronkelijke voetbalstadion. Immers, de voornaamste doelgroep van het miniatuurmodel zijn de NAC-supporters. Voor de hand ligt dat zij geen miniatuurmodel willen van een willekeurig voetbalstadion, maar dat van het Rat Verlegh-stadion (het NAC-stadion), dat dus ook als zodanig herkenbaar moet zijn.
De uitspraak staat HIER
De feiten
BO.2 Architectuur is de architect van het voetbalstadion van NAC.
Zij zijn met Heijboer c.s. overeenkomst aangegaan:
- Licentiegever is auteursrechthebbende op het door hem gemaakte werk ter zake van het stadion.
- Licentiegever en Licentienemers zijn overeengekomen dat het een exclusieve licentie betreft, om schaalmodellen te vervaardigen en te verkopen.
Fanahave maakt inbreuk op de aan Heijboer c.s. toekomende intellectuele eigendomsrechten.
Het geschil
Fanahave wordt door Heijboer c.s. bevolen met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis iedere auteursrechtelijke inbreuk van het stadion te staken en gestaakt te houden. Verder wordt Fanahave geboden om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan haar afnemers te verzoeken om het exemplaar van het schaalmodel aan haar af te geven en te laten vernietigen door Fanahave.
Fanahave maakt inbreuk op de aan BO.2 toekomende auteursrechten op het stadion, nu het miniatuurmodel een in miniatuurversie vervaardigde verveelvoudiging is van het stadion. Bij een vergelijking van het stadion als auteursrechtelijk beschermd werk en het miniatuurmodel als beweerdelijk inbreukmakend werk moet volgens Heijboer c.s. worden vastgesteld dat het miniatuurmodel in zodanige mate auteursrechtelijk beschermde trekken van het stadion vertoont, dat de totaalindrukken die beide werken maken te weinig verschillen voor het oordeel dat het miniatuurmodel als een zelfstandig werk kan worden aangemerkt.
BO.2 Architectuur is de architect van het voetbalstadion van NAC.
Zij zijn met Heijboer c.s. overeenkomst aangegaan:
- Licentiegever is auteursrechthebbende op het door hem gemaakte werk ter zake van het stadion.
- Licentiegever en Licentienemers zijn overeengekomen dat het een exclusieve licentie betreft, om schaalmodellen te vervaardigen en te verkopen.
Fanahave maakt inbreuk op de aan Heijboer c.s. toekomende intellectuele eigendomsrechten.
Het geschil
Fanahave wordt door Heijboer c.s. bevolen met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis iedere auteursrechtelijke inbreuk van het stadion te staken en gestaakt te houden. Verder wordt Fanahave geboden om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan haar afnemers te verzoeken om het exemplaar van het schaalmodel aan haar af te geven en te laten vernietigen door Fanahave.
Fanahave maakt inbreuk op de aan BO.2 toekomende auteursrechten op het stadion, nu het miniatuurmodel een in miniatuurversie vervaardigde verveelvoudiging is van het stadion. Bij een vergelijking van het stadion als auteursrechtelijk beschermd werk en het miniatuurmodel als beweerdelijk inbreukmakend werk moet volgens Heijboer c.s. worden vastgesteld dat het miniatuurmodel in zodanige mate auteursrechtelijk beschermde trekken van het stadion vertoont, dat de totaalindrukken die beide werken maken te weinig verschillen voor het oordeel dat het miniatuurmodel als een zelfstandig werk kan worden aangemerkt.
Dat in het miniatuurmodel van Fanahave de wezenlijke kenmerken van het stadion zijn overgenomen ligt overigens ook voor de hand, omdat Fanahave juist een product op de markt heeft willen brengen dat een min of meer natuurgetrouwe weergave vormt van het oorspronkelijke voetbalstadion. Immers, de voornaamste doelgroep van het miniatuurmodel zijn de NAC-supporters. Voor de hand ligt dat zij geen miniatuurmodel willen van een willekeurig voetbalstadion, maar dat van het Rat Verlegh-stadion (het NAC-stadion), dat dus ook als zodanig herkenbaar moet zijn.
De beslissing
Het een en ander leidt tot de conclusie dat het miniatuurmodel van Fanahave moet worden aangemerkt als een verveelvoudiging van het stadion, hetgeen een inbreuk oplevert op het overgedragen auteursrecht van Heijboer c.s., voor die verveelvoudiging is geen toestemming gegeven.
De voorzieningenrechter beveelt Fanahave met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis ieder auteursrechtelijke inbreuk ter zake van het stadion te staken en gestaakt te houden en gebiedt Fanahave om aan haar afnemers te verzoeken om hun exemplaar van het miniatuurmodel aan haar af te geven, om het voor eigen rekening te vernietigen.
Het een en ander leidt tot de conclusie dat het miniatuurmodel van Fanahave moet worden aangemerkt als een verveelvoudiging van het stadion, hetgeen een inbreuk oplevert op het overgedragen auteursrecht van Heijboer c.s., voor die verveelvoudiging is geen toestemming gegeven.
De voorzieningenrechter beveelt Fanahave met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis ieder auteursrechtelijke inbreuk ter zake van het stadion te staken en gestaakt te houden en gebiedt Fanahave om aan haar afnemers te verzoeken om hun exemplaar van het miniatuurmodel aan haar af te geven, om het voor eigen rekening te vernietigen.
De uitspraak staat HIER
School niet aansprakelijk voor ongeval tijdens gymnastiekles
LJN AY4382, Rechtbank Haarlem, datum:19-07-2006
De feiten
N. nam als brugklasser op de Da Vinci-school deel aan de gymnastiekles gegeven door de docent lichamelijk opvoeding mevrouw P., die in dienst van Da Vinci is.
Tijdens deze gymnastiekles is N. bij het onderdeel hordelopen ten val gekomen, waarbij zij haar been op twee plaatsen heeft gebroken.
Da Vinci is door de rechtsbijstandverzekeraar van Z. (de vertegenwordiger van N.) aansprakelijk gesteld voor schade tengevolge van het ongeval.
Het geschil
Z. vordert veroordeling van Da Vinci tot vergoeding van als gevolg van het ongeval te lijden schade. Het gaat hier om letsel dat is ontstaan in de gymnastiekles onder leiding van een door Da Vinci aangestelde leerkracht, waarbij de te beantwoorden vraag is of de leerkracht bij het leiding geven is tekortgeschoten in de zorg die van haar jegens de leerlingen van de gymnastiekoefening kan worden gevergd.
P. over de genomen maatregelen:
Kinderen mogen niet meedoen als hun techniek onvoldoende is en evenmin als hun houding niet goed is. In de klas van N. was dat niet aan de orde, de kinderen deden allemaal goed mee en de sfeer was goed. Tussen de banen waar de leerlingen liepen, waren vrije banen. Die ruimte tussen de hordebanen is nodig voor de veiligheid. Ze mogen niet eerder lopen dan op het teken van P., dit uit een oogpunt van veiligheid. Als een baan niet vrij is mag er nog niet gelopen worden.
N. kwam niet goed uit met haar passen. Wat je dan kunt doen is stoppen en om de horde heenlopen (dit is ook een reden waarom er een baan naast vrij wordt gehouden) of doorgaan. Bij het doorgaan loop je of tegen de horde aan of je gaat toch springen en zet dan met het verkeerde been af. N. besloot door te gaan en te springen. Ze landde met haar voet op de horde en is omgeknakt. Haar been is daarbij op twee plaatsen gebroken.
De beslissing
Er wordt volgens een speciaal plan gewerkt. Er zijn maatregelen getroffen met het oog op de veiligheid van de kinderen (o.a. lagere hordes met schuimrubber). Er zijn instructies ter voorkoming van ongevallen, zoals het uitsluitend springen bij een vrije baan, die tevens de uitwijkmogelijkheid kan vormen in het geval een leerling bij een sprong niet goed uitkomt, en een juiste mate van concentratie bij de leerlingen.
Een en ander voert tezamen genomen tot de conclusie dat, in het licht van de genoemde inrichting van het gymnastiekonderwijs en de veiligheidsmaatregelen die P. heeft genomen, de kans op een ongeval niet zo groot was dat zij de bewuste oefening niet had mogen laten uitvoeren. Da Vinci is derhalve niet aansprakelijk voor de schade die N. als gevolg van het ongeval heeft geleden wegens het ontbreken van een onrechtmatige gedraging van P..
Z. zal als de in het ongelijkgestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.
De uitpsraak staat HIER
De feiten
N. nam als brugklasser op de Da Vinci-school deel aan de gymnastiekles gegeven door de docent lichamelijk opvoeding mevrouw P., die in dienst van Da Vinci is.
Tijdens deze gymnastiekles is N. bij het onderdeel hordelopen ten val gekomen, waarbij zij haar been op twee plaatsen heeft gebroken.
Da Vinci is door de rechtsbijstandverzekeraar van Z. (de vertegenwordiger van N.) aansprakelijk gesteld voor schade tengevolge van het ongeval.
Het geschil
Z. vordert veroordeling van Da Vinci tot vergoeding van als gevolg van het ongeval te lijden schade. Het gaat hier om letsel dat is ontstaan in de gymnastiekles onder leiding van een door Da Vinci aangestelde leerkracht, waarbij de te beantwoorden vraag is of de leerkracht bij het leiding geven is tekortgeschoten in de zorg die van haar jegens de leerlingen van de gymnastiekoefening kan worden gevergd.
P. over de genomen maatregelen:
Kinderen mogen niet meedoen als hun techniek onvoldoende is en evenmin als hun houding niet goed is. In de klas van N. was dat niet aan de orde, de kinderen deden allemaal goed mee en de sfeer was goed. Tussen de banen waar de leerlingen liepen, waren vrije banen. Die ruimte tussen de hordebanen is nodig voor de veiligheid. Ze mogen niet eerder lopen dan op het teken van P., dit uit een oogpunt van veiligheid. Als een baan niet vrij is mag er nog niet gelopen worden.
N. kwam niet goed uit met haar passen. Wat je dan kunt doen is stoppen en om de horde heenlopen (dit is ook een reden waarom er een baan naast vrij wordt gehouden) of doorgaan. Bij het doorgaan loop je of tegen de horde aan of je gaat toch springen en zet dan met het verkeerde been af. N. besloot door te gaan en te springen. Ze landde met haar voet op de horde en is omgeknakt. Haar been is daarbij op twee plaatsen gebroken.
De beslissing
Er wordt volgens een speciaal plan gewerkt. Er zijn maatregelen getroffen met het oog op de veiligheid van de kinderen (o.a. lagere hordes met schuimrubber). Er zijn instructies ter voorkoming van ongevallen, zoals het uitsluitend springen bij een vrije baan, die tevens de uitwijkmogelijkheid kan vormen in het geval een leerling bij een sprong niet goed uitkomt, en een juiste mate van concentratie bij de leerlingen.
Een en ander voert tezamen genomen tot de conclusie dat, in het licht van de genoemde inrichting van het gymnastiekonderwijs en de veiligheidsmaatregelen die P. heeft genomen, de kans op een ongeval niet zo groot was dat zij de bewuste oefening niet had mogen laten uitvoeren. Da Vinci is derhalve niet aansprakelijk voor de schade die N. als gevolg van het ongeval heeft geleden wegens het ontbreken van een onrechtmatige gedraging van P..
Z. zal als de in het ongelijkgestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.
De uitpsraak staat HIER
12 maanden gevangenisstraf voor afsteken vuurwerkbom in voetbalstadion
Binnensmokkelen in een
voetbalstadion tijdens de voetbalwedstrijd Heracles-NEC van twee explosieve
voorwerpen waarvan er één, een zogenaamde vuurwerkbom, tot ontploffing is
gebracht. Medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen bewezen
verklaard.
Straf: Verdachte wordt
veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien (18) maanden, waarvan zes (6)
maandenvoorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
De uitspraak staat HIER
De telegraaf pikt het bericht
ook op. HIER.
Een eerder bericht over
deze zaak in dagblad Tubantia. HIER.
woensdag 7 maart 2012
Paard verongelukt in cross country wedstrijd. Zijn sportvereniging, bond en/of parcoursbouwer aansprakelijk?
Een ruiter neemt, met zijn paard deel aan een cross
country wedstrijd. Bij een cross country wedstrijd dienen door ruiter en paard
volgens een vooraf bepaalde route verschillende soorten hindernissen te worden
genomen zoals wallen, waterbak passages, greppels en constructies met
boomstammen.
Bij de 21ste hindernis gaat
het mis. Het paard zet niet goed af, waardoor het niet hoog genoeg van de grond
komt en het in aanraking komt met de hindernis. Als gevolg hiervan zijn ruiter
en paard ten val gekomen, waarbij het paard zo ernstig gewond is geraakt dat
het ter plaatse door de dierenarts geeuthaniseerd.
De hindernis was niet
goed opgebouwd. Bij de hindernis heeft het paard niet hoog genoeg gesprongen en
is daardoor met de voorbenen tegen het dak van de boerderij-hindernis
aangekomen. Omdat de boerderij niet verankerd was is de hindernis twee keer
gekanteld waarbij de hindernis een veilige landing voor het paard belemmerde.
De ruiter spreekt drie
partijen aan tot betaling van schadevergoeding. Ten eerste de organisator,
paarden- en ponysportvereniging "Princenhage", ten tweede de
Koninklijke Hyppische Sportfederatie en tot slot de parcoursbouwer, de maker
van de hindernis.
Princenhage stelt niet aansprakelijk
te zijn op grond van een onrechtmatige daad. Princenhage is van mening dat de
vereniging geen enkel verwijt treft en dat Princenhage de wedstrijd heeft georganiseerd
met inachtneming van de toepasselijke reglementen en met de grootst mogelijke
zorgvuldigheid.
De rechtbank is van
mening dat het hier niet gaat om aansprakelijkheid op grond van een onrechtmatige
daad, maar aansprakelijkheid op grond van het niet nakomen van de overeenkomst
tussen Princenhage en de ruiter. De rechtbank stelt vast dat de ruiter zich
voor de, door Princenhage te organiseren wedstrijd, heeft ingeschreven met
behulp van een wedstrijdformulier, dat hij het verschuldigd inschrijfgeld heeft
betaald, dat hij akkoord is gegaan met de voorwaarden waaronder de wedstrijd
door Princenhage werd aangeboden
In de overeenkomst stond
een exoneratieclausule. De clausule luidde: “de wedstrijdgevende organisatie,
noch ieder andere betrokkene bij de wedstrijd kan op enigerlei wijze
aansprakelijk en of verantwoordelijk worden gesteld omtrent schade in welke
vorm dan ook aan personen, paarden en of materiaal. Zowel deelnemers als
bezoekers nemen deel en of zijn aanwezig op eigen risico.”
De ruiter meent, dat deze
clausule hem niet kan worden tegengeworpen op grond van maatstaven van
redelijkheid en billijkheid. De rechtbank is het met de ruiter eens. Princenhage is op grond van de overeenkomst gehouden om de ruiter een wedstrijd parcours aan
te bieden, dat voldort aan de veiligheidsregels. Wanneer het parcours hierin tekortschiet,
zoals in dit geval, door handelen of nalaten van de parcoursbouwer is dit aan
Princenhage als organiserende vereniging toe te rekenen.
Het feit dat er geen
sprake was van opzet of roekeloosheid van Princenhage, dat de ruiter wist dat
er behoorlijke risico's aan deelname zaten en dat de ruiter op de hoogte was
van de exoneratieclausule zijn voor de rechtbank niet doorslaggevend voor
beoordeling van de vraag of de clausule tussen partijen aansprakelijkheid in de
weg staat. Anders ligt dat bij de verzekerbaarheid: vaststaat dat Princenhage (maar
ook de andere gedaagden) zich hebben verzekerd juist tegen het risico van dit
soort ongevallen. Gedaagden hebben dat gedaan omdat niet alleen het risico op
een ongeval groot is, maar ook omdat de schade in voorkomende gevallen
aanzienlijk kan zijn. Nu zij juist met het oog op dit type schades de
verzekeringsovereenkomst hebben gesloten ten behoeve van onder andere de ruiter
valt niet in te zien, waarom Princenhage in redelijkheid nog een beroep op
exoneratie toe zou moeten komen.
Princenhage is dus
aansprakelijk voor de schade en het beroep op de exoneratieclausule gaat niet
op.
De rechtbank acht ook de
parcoursbouwer aansprakelijk. De parcoursbouwer verweert zich door te stellen
dat hij slechts werkte op verzoek van Princenhage, daar geen vergoeding voor
kreeg en dat de technisch afgevaardigden hebben bevestigd dat de hindernis in
orde was. Al deze argumenten overtuigen de rechtbank niet. Volgens de rechtbank
valt niet in te zien waarom de parcoursbouwer, als ontwerper en bouwer, van de
hindernis niet aansprakelijk zou zijn, als vaststaat dat de schade het gevolg is van een of meer fouten aan
de hindernis.
De aansprakelijkheid van
de Koninklijke Hyppische Sportfederatie wijst de rechtbank af. Feitelijk heeft de
Koninklijke Hyppische Sportfederatie geen bemoeienis gehad bij de organisatie
van de wedstrijd. Het enkele feit dat deze wedstrijd werd georganiseerd onder
haar auspiciën maakt haar immers nog geen mede organisator. De rechtbank vindt
dan ook dat de Koninklijke Hyppische Sportfederatie niet aansprakelijk gesteld
kan worden.
De rechtbank veroordeelt
Princenhage en de parcoursbouwer (nog) niet tot het betalen van schadevergoeding
aan de ruiter. De rechtbank biedt Princenhage en de parcoursbouwer nog de
mogelijkheid om te bewijzen dat de schade ook zou zijn ontstaan als het parcours
wel goed zou zijn opgebouwd.
De uitspraak staat HIER
maandag 5 maart 2012
Voor de paardenliefhebber: van hoefbevangenheid, laster, luchtzuiger en artrose
Hieronder vier vrij
recente uitspraken over de koop van een paard, waarbij de koper uiteindelijk
niet blij was met de koop en zich tot de rechter wendde.Datum uitspraak: 01-11-2011
Datum publicatie: 01-11-2011
Inhoudsindicatie:
Paard met hoefbevangenheid. Overeenkomst gesloten o.i.v. dwaling. Koper vordert vergoeding van het geleden nadeel (art. 6:230 lid 2 BW). Vordering toegewezen.
Datum uitspraak: 01-02-2012
Datum publicatie: 17-02-2012
Inhoudsindicatie:
Vervolg op LJN: BP 3414. non-conformiteit van een paard. Na deskundigenbericht oordeelt de rechtbank dat de non-conformiteit wegens de artrose en/of vanwege het (na wijziging van de grondslag van de eis aangevoerde) niet aan de teugel kunnen lopen, niet is komen vast te staan. De buitengerechtelijke ontbinding door eiseres heeft dus geen effect gehad. Vorderingen afgewezen, ook op de (meer) subsidiaire grondslagen nu daaraan hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt en de gestelde feiten niet zijn komen vast te staan.
Datum uitspraak: 18-01-2012
Datum publicatie: 10-02-2012
Inhoudsindicatie:
Door eiseres van gedaagde gekochte pony "zuigt lucht" en is daarmee gebrekkig. Er is op tijd geklaagd en er is geen sprake van schending van een onderzoeksplicht door eiseres. De stelling van gedaagde dat vanwege de aard van de zaak, te weten een levend dier, het wettelijke bewijsvermoeden zoals neergelegd in artikel 7:18 lid 2 BW niet zou gelden, gaat gelet op de wetsgeschiedenis niet op. Bewijsopdracht aan gedaagde dat het gebrek niet aanwezig was ten tijde van de aflevering van de pony
Datum uitspraak: 14-12-2011
Datum publicatie:12-01-2012
Inhoudsindicatie:
Afwijzing vordering tot nakoming van koopovereenkomst met betrekking tot paard. Onmogelijkheid tot afgifte paard doordat paard is verkocht en overgedragen aan een derde leidt tot wanprestatie en lost zich noodgedwongen op in schadevergoeding. Reconventionele vordering tot staking lasterpraktijken. Artikel 6:171 BW niet van toepassing op een in privé gegeven opdracht.
zondag 26 februari 2012
Ontzetting uit lidmaatschap, na 30 jarig lidmaatschap, niet in strijd met redelijkheid en billijkheid

De feiten
Slagvast is een
tennisvereniging. Het lid is vanaf ongeveer 1980 lid van Slagvast geweest.Bij brief van 26 juli 2007 heeft het bestuur van Slagvast, het lid meegedeeld dat zij per direct wordt geschorst als lid van Slagvast naar aanleiding van een brief die zij aan één van de leden van Slagvast heeft gezonden en eerdere incidenten.
In augustus 2007 kondigt het bestuur aan dat zij tijdens de Algemene Ledenvergadering een voorstel tot ontzetting van het lid uit het lidmaatschap zal indienen.
Bij brief van 14 februari 2008 heeft het bestuur van
Slagvast, het lid meegedeeld dat het
heeft besloten haar uit het lidmaatschap van Slagvast te ontzetten en haar
gewezen op de mogelijkheid van
schriftelijk bezwaar.
Bij brief van 16 maart 2008 heeft het bestuur van
Slagvast het lid meegedeeld dat het bezwaar
zou worden behandeld in de Algemene Ledenvergadering van 21 maart 2008 en dat het lid geen toegang had tot die
vergadering.
Bij brief van 5 april 2008 heeft het bestuur van
Slagvast het lid meegedeeld dat de Algemene
Ledenvergadering op 21 maart 2008
heeft ingestemd met het besluit van het
bestuur tot ontzetting van het liduit het lidmaatschap van Slagvast. Van de 50 aanwezige seniorleden hebben 49 voor
het besluit gestemd en 1 tegen.
Bij
verstekvonnis van de rechtbank Middelburg van 22 april 2009 is het besluit van de Algemene Ledenvergadering van 21 maart 2008 vernietigd, voor
zover dit ziet op de beslissing
van het bestuur van Slagvast om het lid uit het lidmaatschap van Slagvast te ontzetten.
Op 8 mei 2009 heeft een nieuwe Algemene Ledenvergadering
plaatsgevonden. het lid en haar
(toenmalige) advocaat waren hierbij aanwezig. De Algemene Ledenvergadering heeft gestemd over
het bestuursbesluit van 14 februari 2008 tot ontzetting
van het lid uit het lidmaatschap van Slagvast. Met 38 stemmen voor, 2 stemmen tegen en 2 onthoudingen is
het bestuursbesluit bekrachtigd.
Argumenten van de eiser
Het lid vordert zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vernietiging van het besluit van de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009, voor zover dit ziet op de beslissing om haar uit het lidmaatschap van Slagvast te ontzetten, primair op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW
Het gaat in hoger beroep
om de vraag of het besluit van de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009,
voor zover dit ziet op de beslissing om het lid uit het lidmaatschap van
Slagvast te ontzetten, vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 BW wegens
strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van
besluiten regelen of wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door
artikel 2:8 BW worden geëist.
In dit kader zijn artikel
2:35 lid 1, 3 en 4 BW en artikel 10 van de statuten van Slagvast van belang.
Artikel 10 van de statuten van Slagvast luidt, voor zover hier aan de orde :
1. Het lidmaatschap van een lid van de
vereniging eindigt door: a. …
b. …
c. ontzetting.
2. Gronden voor ontzetting uit de vereniging zijn:
a. nalatigheid in het voldoen van de aan het lid door de vereniging opgelegde financiële verplichtingen;
b. handelen in strijd met de statuten, huishoudelijk reglement en/of andere door de Algemene Ledenvergadering vastgestelde reglementen of regelingen;
c. het bij voortduring schaden van de belangen van de vereniging.
3. De ontzetting wordt door het bestuur uitgesproken.
4. Een lid van het lidmaatschap ontzet op de gronden als genoemd in lid 2 van dit artikel wordt van deze ontzetting door het bestuur bij aangetekend schrijven mededeling gedaan.
5. Het lid bedoeld in het voorgaande lid kan tegen zijn ontzetting binnen een maand na ontvangst van het desbetreffende schrijven schriftelijk bezwaar indienen bij het bestuur.
6. Het bestuur brengt de inhoud van het bezwaarschrift ter kennis van de Algemene Ledenvergadering, welke vergadering op het bezwaarschrift bij schriftelijke stemming een definitieve beslissing neemt. Tot het tijdstip waarop het definitieve besluit van de Ledenvergadering is genomen, blijft het lid van het lidmaatschap ontzet.
7. …
Puntsgewijs de stellingen van eiser met daaronder
oordeel gerechtshof:
Punt 1. Na het vonnis van de rechtbank Middelburg van 22 april 2009 had een nieuw bestuursbesluit genomen had moeten worden en dat de Algemene Ledenvergadering een beslissing had moeten nemen over dit nieuwe bestuursbesluit in plaats van een nieuwe beslissing over het bestuursbesluit van 14 februari 2008.Het gerechtshof:
Vernietiging van een besluit van de Algemene Ledenvergadering over een bestuursbesluit leidt niet van rechtswege tot vernietiging van dat bestuursbesluit. Dit betekent dat het bestuur geen nieuw besluit tot ontzetting van het lid uit het lidmaatschap van Slagvast hoefde te nemen. Immers het bestuursbesluit van 14 februari 2008 is in stand gebleven.
Punt 2.
Het bijeenroepen van de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009 heeft niet op de juiste wijze plaatsgevonden, gezien het beperkte aantal leden dat aanwezig was. Volgens het lidis niet duidelijk of alle leden uitgenodigd waren en was de opkomst bij eerdere Algemene Ledenvergaderingen aanmerkelijk hoger.
Het gerechtshof:
Slagvast heeft deze stellingen gemotiveerd betwist. Zij stelt onder meer dat op 15 april 2009 aan alle leden een uitnodiging voor de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009 is verzonden onder meezending van de agenda. Voorts stelt Slagvast dat een opkomst van 42 stemgerechtigde leden (van de in totaal 180 leden, waaronder 20 jeugdleden) een gebruikelijke opkomst is bij de Algemene Ledenvergadering van Slagvast.
Punt 3De Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009 heeft haar bezwaarschrift voor de stemming onvoldoende inhoudelijk is behandeld. Pas na de stemming kreeg haar toenmalige raadsman het woord en konden de bezwaren verder uiteen gezet worden.
Het gerechtshof:
Het gerechtshof:
Voor de vraag of het
besluit van de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009 in strijd is met de
redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist, dient
bekeken te worden of de Algemene Ledenvergadering, bij afweging van alle bij
het besluit betrokken belangen van Slagvast en degenen die krachtens de wet en
de statuten bij de organisatie van Slagvast zijn betrokken, in redelijkheid en
naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Naar het oordeel van het
hof heeft de Algemene Ledenvergadering in redelijkheid kunnen komen tot het
besluit tot ontzetting van het lid uit het lidmaatschap van Slagvast.
Er heeft van de zijde van
het lid ongewenst en onacceptabel gedrag jegens andere (bestuurs)leden plaatsgevonden.
Door dit gedrag wordt Slagvast op onredelijke wijze benadeeld. het lid stelt
dat juist andere leden van Slagvast zich onbetamelijk gedroegen en dat zij die
leden daarop heeft aangesproken. Wat hiervan zij, dit doet niets af aan de
laakbare manier waarop het lid zelf zaken aan de orde heeft gesteld. Ook indien
wordt meegenomen dat het lid reeds dertig jaar lid was van Slagvast en tien
jaar bestuurslid is geweest, is het hof van oordeel dat de Algemene
Ledenvergadering - gehoord de bezwaren van de zijde van het lid tegen het
bestuursbesluit - in redelijkheid de belangen van Slagvast bij ontzetting van het
lid uit het lidmaatschap zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen van het
lid bij voortduring van het lidmaatschap.
Conclusie:
Ontzetting uit lidmaatschap niet in strijd met redelijkheid en billijkheid.
De uitspraak staat HIER
zaterdag 25 februari 2012
7 jarige raakt gewond bij karten
De feiten
Een jongentje, 7 jaar oud, was tijdens een verjaardagsfeestje van zijn vriendje samen met andere jongens van ongeveer dezelfde leeftijd gaan karten op de kartbaan van Pulsar.
Het jongentje raakte vlak voordat hij de tweede bocht in reed de controle over het stuur kwijt.Het jongetje loopt een gecompliceerde bovenbeenfractuur op.
Pulsar wordt aangesproken door vermoedelijk de ouders van het jongentje tot betaling van de schade van € 10.000,--
Het oordeel
De rechtbank wijst de vordering af. Het enkele feit dat kartcentrum zevenjarig kind heeft laten karten maakt niet dat kartcentrum onrechtmatig heeft gehandeld. Ouders van jonge(re) kinderen die besluiten om hun kinderen te laten karten dienen er in beginsel en tot op zekere hoogte rekening mee te houden dat hun kinderen een botsing kunnen krijgen en dat zij ten gevolge daarvan letsel kunnen oplopen. Niet gebleken van schending door kartcentrum van een veiligheidsvoorschrift of veiligheidsmaatregel ter bescherming van het gevaar zoals zich dat bij zevenjarig kind heeft verwezenlijkt.
De relevante rechtsoverwegingen:
4.3. De rechtbank oordeelt als volgt. De eerste vraag die beantwoord dient te worden is of Pulsar in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt door [C] toe te staan te gaan karten, terwijl hij op dat moment pas zeven jaar oud was en klein en kwetsbaar was. Dit is door [A] c.s. gesteld en door Pulsar betwist. Voornoemde stelling van [A] c.s., die er naar het oordeel van de rechtbank op neer komt dat bij een sport of recreatieve bezigheid zoals karten ieder risico ten aanzien van kinderen van 7 jaar dient te worden uitgesloten, kan niet als juist worden aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank kan aansprakelijkheid slechts dan worden aanvaard indien zou komen vast te staan dat het laten karten van kinderen van zeven jaar zodanig gevaarlijk is en zodanige extra en niet te vermijden risico’s met zich brengt dat dit Pulsar had behoren te weerhouden om [C] en de andere kinderen te laten deelnemen aan karten. Dit is de rechtbank niet gebleken, nu het verweer van Pulsar dat het in 2007 gebruikelijk was om kinderen van 7 jaar te laten karten, niet door [A] c.s. is weerlegd. Het enkele feit dat Pulsar de destijds zevenjarige [C] heeft laten karten maakt dan ook niet dat Pulsar onrechtmatig heeft gehandeld. Dit brengt mee dat ouders van jonge(re) kinderen die besluiten om hun kinderen te laten karten er in beginsel en tot op zekere hoogte rekening mee dienen te houden dat hun kinderen een botsing kunnen krijgen met hun kart en dat zij ten gevolge daarvan letsel kunnen oplopen.
4.4. De rechtbank oordeelt voorts als volgt. In het kader van de op Pulsar rustende zorgplicht ten aanzien van de jonge en onervaren [C], diende Pulsar er naar het oordeel van de rechtbank wel voor te zorgen dat zij in de gegeven omstandigheden zodanige veiligheidsvoorschriften en veiligheidsmaatregelen zou toepassen dat hiermee het risico op een botsing met letsel zoals [C] is overkomen tot een aanvaardbaar niveau zou worden beperkt. Met betrekking tot de stelling van [A] c.s. dat Pulsar niet aan deze op haar rustende verplichting heeft voldaan oordeelt de rechtbank als volgt. Allereerst gaat zij voorbij aan de stelling van [A] c.s. dat onvoldoende veiligheidsmaatregelen zouden zijn genomen omdat de kinderen geen bodyprotector droegen. Niet alleen heeft Pulsar dit gemotiveerd betwist door te stellen dat de kinderen niet alleen een bodyprotector aan hebben gekregen, met daar over heen een overall, maar ook een nekprotector en een helm; ook [F] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat de kinderen een helm op kregen en dat zij ‘een pak’ aankregen. In dit licht bezien is de stelling van [A] c.s. dat ten aanzien van de kleding van de kinderen onvoldoende veiligheidsmaatregelen door Pulsar zijn genomen onvoldoende onderbouwd. Met betrekking tot de losse kunstofzitting die in de karts is geplaatst oordeelt de rechtbank dat als vaststaand dient te worden aangenomen dat hierdoor het zitoppervlak enigszins werd verhoogd en verkleind. Verder is door Pulsar onbetwist gesteld dat de zitverhoging in de zitting is geklemd en dat deze er toe dient om kleinere bestuurders goed zicht kunnen laten houden op de baan. Dat door het gebruik van deze zitverhogers een gevaarlijke situatie in het leven is geroepen is door [A] c.s. niet nader onderbouwd en de rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.
4.5. Verder staat vast dat [C] en de overige kinderen voor het karten een (korte) instructie hebben gekregen in de kantine en dat na het plaatsnemen in de kartauto nog een verdere uitleg is gegeven over de plaats waar het gaspedaal zat en waar de rem zat. Dat de gegeven instructies niet afdoende zouden zijn geweest is gesteld noch gebleken. De stelling van [A] c.s. dat tijdens de laatste instructie de motor van de kart inmiddels al draaide en dat de kinderen al een helm op hadden acht de rechtbank niet van belang. Niet gesteld is namelijk, noch is gebleken dat de kinderen de nadere instructie daardoor niet hebben kunnen horen. De rechtbank is van oordeel dat de stelling van [A] c.s. dat Pulsar de kinderen in een volwassenkart heeft laten rijden eveneens dient te worden verworpen. Pulsar heeft dit gemotiveerd betwist en zij heeft hier onder meer tegen in gebracht dat kinderen in een volwassenkart niet bij de pedalen kunnen komen. Nu [A] c.s. zijn stellingen op dit punt vervolgens niet nader heeft onderbouwd en in het bijzonder heeft nagelaten aan te geven hoe [C], die volgens [A] c.s. toen nog klein was, toch in een volwassenkart heeft kunnen rijden, gaat de rechtbank hier zonder nadere bewijslevering aan voorbij. De rechtbank komt tot de slotsom dat niet is gebleken van schending door Pulsar van een veiligheidsvoorschrift of veiligheidsmaatregel ter bescherming van het gevaar zoals zich dat bij [C] heeft verwezenlijkt. Nu Pulsar alle stellingen van [A] c.s. gemotiveerd heeft betwist, waarna [A] c.s. heeft nagelaten haar stellingen nader met feiten te onderbouwen is naar het oordeel van de rechtbank voor nadere bewijslevering in de vorm van een deskundigenonderzoek geen plaats. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank de vordering van [A] c.s. af.
De uitspraak staat HIER
Een jongentje, 7 jaar oud, was tijdens een verjaardagsfeestje van zijn vriendje samen met andere jongens van ongeveer dezelfde leeftijd gaan karten op de kartbaan van Pulsar.
Het jongentje raakte vlak voordat hij de tweede bocht in reed de controle over het stuur kwijt.Het jongetje loopt een gecompliceerde bovenbeenfractuur op.
Pulsar wordt aangesproken door vermoedelijk de ouders van het jongentje tot betaling van de schade van € 10.000,--
Het oordeel
De rechtbank wijst de vordering af. Het enkele feit dat kartcentrum zevenjarig kind heeft laten karten maakt niet dat kartcentrum onrechtmatig heeft gehandeld. Ouders van jonge(re) kinderen die besluiten om hun kinderen te laten karten dienen er in beginsel en tot op zekere hoogte rekening mee te houden dat hun kinderen een botsing kunnen krijgen en dat zij ten gevolge daarvan letsel kunnen oplopen. Niet gebleken van schending door kartcentrum van een veiligheidsvoorschrift of veiligheidsmaatregel ter bescherming van het gevaar zoals zich dat bij zevenjarig kind heeft verwezenlijkt.
De relevante rechtsoverwegingen:
4.3. De rechtbank oordeelt als volgt. De eerste vraag die beantwoord dient te worden is of Pulsar in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt door [C] toe te staan te gaan karten, terwijl hij op dat moment pas zeven jaar oud was en klein en kwetsbaar was. Dit is door [A] c.s. gesteld en door Pulsar betwist. Voornoemde stelling van [A] c.s., die er naar het oordeel van de rechtbank op neer komt dat bij een sport of recreatieve bezigheid zoals karten ieder risico ten aanzien van kinderen van 7 jaar dient te worden uitgesloten, kan niet als juist worden aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank kan aansprakelijkheid slechts dan worden aanvaard indien zou komen vast te staan dat het laten karten van kinderen van zeven jaar zodanig gevaarlijk is en zodanige extra en niet te vermijden risico’s met zich brengt dat dit Pulsar had behoren te weerhouden om [C] en de andere kinderen te laten deelnemen aan karten. Dit is de rechtbank niet gebleken, nu het verweer van Pulsar dat het in 2007 gebruikelijk was om kinderen van 7 jaar te laten karten, niet door [A] c.s. is weerlegd. Het enkele feit dat Pulsar de destijds zevenjarige [C] heeft laten karten maakt dan ook niet dat Pulsar onrechtmatig heeft gehandeld. Dit brengt mee dat ouders van jonge(re) kinderen die besluiten om hun kinderen te laten karten er in beginsel en tot op zekere hoogte rekening mee dienen te houden dat hun kinderen een botsing kunnen krijgen met hun kart en dat zij ten gevolge daarvan letsel kunnen oplopen.
4.4. De rechtbank oordeelt voorts als volgt. In het kader van de op Pulsar rustende zorgplicht ten aanzien van de jonge en onervaren [C], diende Pulsar er naar het oordeel van de rechtbank wel voor te zorgen dat zij in de gegeven omstandigheden zodanige veiligheidsvoorschriften en veiligheidsmaatregelen zou toepassen dat hiermee het risico op een botsing met letsel zoals [C] is overkomen tot een aanvaardbaar niveau zou worden beperkt. Met betrekking tot de stelling van [A] c.s. dat Pulsar niet aan deze op haar rustende verplichting heeft voldaan oordeelt de rechtbank als volgt. Allereerst gaat zij voorbij aan de stelling van [A] c.s. dat onvoldoende veiligheidsmaatregelen zouden zijn genomen omdat de kinderen geen bodyprotector droegen. Niet alleen heeft Pulsar dit gemotiveerd betwist door te stellen dat de kinderen niet alleen een bodyprotector aan hebben gekregen, met daar over heen een overall, maar ook een nekprotector en een helm; ook [F] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat de kinderen een helm op kregen en dat zij ‘een pak’ aankregen. In dit licht bezien is de stelling van [A] c.s. dat ten aanzien van de kleding van de kinderen onvoldoende veiligheidsmaatregelen door Pulsar zijn genomen onvoldoende onderbouwd. Met betrekking tot de losse kunstofzitting die in de karts is geplaatst oordeelt de rechtbank dat als vaststaand dient te worden aangenomen dat hierdoor het zitoppervlak enigszins werd verhoogd en verkleind. Verder is door Pulsar onbetwist gesteld dat de zitverhoging in de zitting is geklemd en dat deze er toe dient om kleinere bestuurders goed zicht kunnen laten houden op de baan. Dat door het gebruik van deze zitverhogers een gevaarlijke situatie in het leven is geroepen is door [A] c.s. niet nader onderbouwd en de rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.
4.5. Verder staat vast dat [C] en de overige kinderen voor het karten een (korte) instructie hebben gekregen in de kantine en dat na het plaatsnemen in de kartauto nog een verdere uitleg is gegeven over de plaats waar het gaspedaal zat en waar de rem zat. Dat de gegeven instructies niet afdoende zouden zijn geweest is gesteld noch gebleken. De stelling van [A] c.s. dat tijdens de laatste instructie de motor van de kart inmiddels al draaide en dat de kinderen al een helm op hadden acht de rechtbank niet van belang. Niet gesteld is namelijk, noch is gebleken dat de kinderen de nadere instructie daardoor niet hebben kunnen horen. De rechtbank is van oordeel dat de stelling van [A] c.s. dat Pulsar de kinderen in een volwassenkart heeft laten rijden eveneens dient te worden verworpen. Pulsar heeft dit gemotiveerd betwist en zij heeft hier onder meer tegen in gebracht dat kinderen in een volwassenkart niet bij de pedalen kunnen komen. Nu [A] c.s. zijn stellingen op dit punt vervolgens niet nader heeft onderbouwd en in het bijzonder heeft nagelaten aan te geven hoe [C], die volgens [A] c.s. toen nog klein was, toch in een volwassenkart heeft kunnen rijden, gaat de rechtbank hier zonder nadere bewijslevering aan voorbij. De rechtbank komt tot de slotsom dat niet is gebleken van schending door Pulsar van een veiligheidsvoorschrift of veiligheidsmaatregel ter bescherming van het gevaar zoals zich dat bij [C] heeft verwezenlijkt. Nu Pulsar alle stellingen van [A] c.s. gemotiveerd heeft betwist, waarna [A] c.s. heeft nagelaten haar stellingen nader met feiten te onderbouwen is naar het oordeel van de rechtbank voor nadere bewijslevering in de vorm van een deskundigenonderzoek geen plaats. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank de vordering van [A] c.s. af.
De uitspraak staat HIER
woensdag 22 februari 2012
Eigen schuld, dikke bult?
De feiten
X heeft zich ingeschreven voor rijlessen bij
Ruitercentrum Stal Mansour. In het door X ondertekende inschrijfformulier staat onder meer:
"- Hij/zij is bekend met het feit dat Stal Mansour niet aansprakelijk kan worden gesteld voor welke schade dan ook, hem/haar of zoon/dochter overkomen, als gevolg van het volgen van lessen, buitenritten of andere activiteiten, en het verblijf op het terrein of in de stallen van het ruitercentrum."
Tijdens een paardrijles is X een ongeval overkomen waarbij zij ernstig gewond is geraakt. Het paard Jonker is tijdens de rijles op 3 juni plotseling gaan steigeren waardoor X van het paard is gevallen. Het paard is ook gevallen en daarbij op X terechtgekomen.
"- Hij/zij is bekend met het feit dat Stal Mansour niet aansprakelijk kan worden gesteld voor welke schade dan ook, hem/haar of zoon/dochter overkomen, als gevolg van het volgen van lessen, buitenritten of andere activiteiten, en het verblijf op het terrein of in de stallen van het ruitercentrum."
Tijdens een paardrijles is X een ongeval overkomen waarbij zij ernstig gewond is geraakt. Het paard Jonker is tijdens de rijles op 3 juni plotseling gaan steigeren waardoor X van het paard is gevallen. Het paard is ook gevallen en daarbij op X terechtgekomen.
Het geschil
X vordert dat de rechtbank Stal Mansour zal veroordelen tot betaling aan haar van het bedrag van alle geleden en nog te lijden schade en Stal Mansour te veroordelen in de kosten van dit geding. X voert daartoe aan dat Stal Mansour op grond van een onrechtmatige daad en de aansprakelijkheid van de bezitter van een dier aansprakelijk is voor de door het paard Jonker aan X veroorzaakte schade. Stal Mansour heeft de vordering gemotiveerd bestreden.
De beoordeling van het geschil
Uit een onafhankelijk deskundig onderzoek kan worden afgeleid dat aan Stal Mansour noch aan X enig verwijt kan worden gemaakt van het ongeval. Er is vastgesteld dat Jonker normaal functioneert en tot op heden dat nog steeds doet. Het ongeval is veroorzaakt door de onberekenbaarheid van het paard Jonker. Zowel Stal Mansour als X - een ervaren ruiter, waren zich van het risico dat besloten ligt in de eigen energie van het paard bewust.
Artikel 6:179 BW
(aansprakelijkheid bij dieren) brengt met zich dat Stal Mansour - bezitter van
het paard Jonker - in beginsel aansprakelijk is voor de door dit paard
veroorzaakte schade. Enig verwijt aan de zijde van Stal Mansour is daarvoor
niet nodig. Dit sluit echter niet uit dat op grond van artikel 6:101 BW(eigen
schuld) de schade gedeeltelijk of geheel door X moet worden gedragen. Ook
hiervoor is niet vereist dat aan X enig verwijt ten aanzien van het ongeval kan
worden gemaakt. X is vrijwillig op het paard Jonker gaan rijden en heeft zich
daarmee vrijwillig binnen het bereik van de risico's begeven terwijl zij zich -
gezien haar ervaring als ruiter - van dit risico ook bewust moet zijn geweest.
De rechtbank is van oordeel dat het ongeval zich daarmee heeft voorgedaan zowel
binnen de risicosfeer van Stal Mansour als binnen de risicosfeer van X. Dit
brengt dan met zich dat de schadelijke gevolgen van dit risico over Stal
Mansour en X evenredig moeten worden verdeeld. Aldus moet X ingevolge artikel
6: 101 BW (eigen schuld) de helft van de schade dragen en is Stal Mansour in
beginsel voor de helft van de schade aansprakelijk.X vordert dat de rechtbank Stal Mansour zal veroordelen tot betaling aan haar van het bedrag van alle geleden en nog te lijden schade en Stal Mansour te veroordelen in de kosten van dit geding. X voert daartoe aan dat Stal Mansour op grond van een onrechtmatige daad en de aansprakelijkheid van de bezitter van een dier aansprakelijk is voor de door het paard Jonker aan X veroorzaakte schade. Stal Mansour heeft de vordering gemotiveerd bestreden.
De beoordeling van het geschil
Uit een onafhankelijk deskundig onderzoek kan worden afgeleid dat aan Stal Mansour noch aan X enig verwijt kan worden gemaakt van het ongeval. Er is vastgesteld dat Jonker normaal functioneert en tot op heden dat nog steeds doet. Het ongeval is veroorzaakt door de onberekenbaarheid van het paard Jonker. Zowel Stal Mansour als X - een ervaren ruiter, waren zich van het risico dat besloten ligt in de eigen energie van het paard bewust.
De beslissing
-De rechtbank veroordeelt Stal Mansour tot betaling aan eiseres van de helft van alle in verband met het ongeval geleden en nog te lijden schade, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet.
-veroordeelt gedaagde in de kosten van de procedure tot aan dit vonnis
-De rechtbank veroordeelt Stal Mansour tot betaling aan eiseres van de helft van alle in verband met het ongeval geleden en nog te lijden schade, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet.
-veroordeelt gedaagde in de kosten van de procedure tot aan dit vonnis
De uitspraak staat HIER
maandag 20 februari 2012
Feyenoord/KNVB uitzendrechten voetbalwedstrijden
De feiten
De KNVB heeft Feyenoord gedagvaard en vordert:
1. Voor recht te verklaren dat het recht met betrekking tot het opnemen en uitzenden van radio- en televisieopnames van wedstrijden die door de KNVB georganiseerd worden toekomen aan alle clubs gezamenlijk: de KNVB en de clubs.
2. Feyenoord te verbieden over te gaan tot een eenzijdige en individuele exploitatie van de radio- en televisieopnames van wedstrijden die georganiseerd zijn door de KNVB.
3. Subsidiair: Feyenoord te verbieden de tv-uitzendrechten van door haar te spelen thuiswedstrijden individueel uit te baten met voorbijgaan aan de reglementaire bepalingen van de KNVB en het toezicht dat de KNVB op grond daarvan dient uit te oefenen.
Feyenoord heeft de vorderingen bestreden.
De Rechtbank heeft de vorderingen van de KNVB afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft de KNVB hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Het geschil
Centraal in deze zaak staat de vraag aan wie de uitzendrechten met betrekking tot wedstrijden in de door de KNVB georganiseerde Eredivisie en Eerste divisie toekomen. Volgens de KNVB luidt het antwoord op die vraag: aan de KNVB en de in die divisies spelende clubs gezamenlijk. Feyenoord daarentegen stelt zich op het standpunt dat die rechten uitsluitend toekomen aan de thuisspelende club.
De clubs hebben uit hoofde van hun eigendomsrecht van het stadion in beginsel de vrijheid om aan hun toestemming tot het betreden ervan beperkingen te verbinden, ook met het oog op het tot stand brengen van radio- en televisieuitzendingen.
In verband hiermee kan Feyenoord in beginsel aanspraak maken op de uitzendrechten van voetbalwedstrijden die gespeeld worden in het stadion of op het terrein waarvan zij eigenaar zijn of waarvan zij een gebruiksrecht hebben. De enkele omstandigheid dat de KNVB gedurende tientallen jaren heeft gecontracteerd ter zake van de uitzendrechten brengt niet mee dat ze medegerechtigd zijn tot die uitzendrechten. Uit de reglementen van de KNVB blijkt namelijk niet dat er overdracht plaatsvind van de uitzendrechten aan de KNVB.
De beslissing
De Hoge Raad stelt Feyenoord in het gelijk en veroordeelt de KNVB in de kosten van het geding. De clubs hebben het recht om de thuis gespeelde wedstrijden uit te zenden, in welke vorm dan ook (radio, televisie, internet).
De uitspraak staat HIER
De KNVB heeft Feyenoord gedagvaard en vordert:
1. Voor recht te verklaren dat het recht met betrekking tot het opnemen en uitzenden van radio- en televisieopnames van wedstrijden die door de KNVB georganiseerd worden toekomen aan alle clubs gezamenlijk: de KNVB en de clubs.
2. Feyenoord te verbieden over te gaan tot een eenzijdige en individuele exploitatie van de radio- en televisieopnames van wedstrijden die georganiseerd zijn door de KNVB.
3. Subsidiair: Feyenoord te verbieden de tv-uitzendrechten van door haar te spelen thuiswedstrijden individueel uit te baten met voorbijgaan aan de reglementaire bepalingen van de KNVB en het toezicht dat de KNVB op grond daarvan dient uit te oefenen.
Feyenoord heeft de vorderingen bestreden.
De Rechtbank heeft de vorderingen van de KNVB afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft de KNVB hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Het geschil
Centraal in deze zaak staat de vraag aan wie de uitzendrechten met betrekking tot wedstrijden in de door de KNVB georganiseerde Eredivisie en Eerste divisie toekomen. Volgens de KNVB luidt het antwoord op die vraag: aan de KNVB en de in die divisies spelende clubs gezamenlijk. Feyenoord daarentegen stelt zich op het standpunt dat die rechten uitsluitend toekomen aan de thuisspelende club.
De clubs hebben uit hoofde van hun eigendomsrecht van het stadion in beginsel de vrijheid om aan hun toestemming tot het betreden ervan beperkingen te verbinden, ook met het oog op het tot stand brengen van radio- en televisieuitzendingen.
In verband hiermee kan Feyenoord in beginsel aanspraak maken op de uitzendrechten van voetbalwedstrijden die gespeeld worden in het stadion of op het terrein waarvan zij eigenaar zijn of waarvan zij een gebruiksrecht hebben. De enkele omstandigheid dat de KNVB gedurende tientallen jaren heeft gecontracteerd ter zake van de uitzendrechten brengt niet mee dat ze medegerechtigd zijn tot die uitzendrechten. Uit de reglementen van de KNVB blijkt namelijk niet dat er overdracht plaatsvind van de uitzendrechten aan de KNVB.
De beslissing
De Hoge Raad stelt Feyenoord in het gelijk en veroordeelt de KNVB in de kosten van het geding. De clubs hebben het recht om de thuis gespeelde wedstrijden uit te zenden, in welke vorm dan ook (radio, televisie, internet).
De uitspraak staat HIER
zaterdag 18 februari 2012
Geen verboden staatssteun bij bouw en exploitatie zwembad
De feiten
Bij besluit van 4 februari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders aan de gemeente Lingewaard een vrijstelling en een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een sportgebouw met een zwemvoorziening en een fitnessruimte op het perceel Van Nispenlaan te Bemmel.
Bij uitspraak van 8 december 2009, heeft de rechtbank de door appellante (= de appellant en anderen) daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben het college en de gemeente hoger beroep ingesteld bij de Raad van State, onder andere omdat er volgens het college geen sprake eis van verboden staatssteun.
Het geschil
Bij besluit van 4 februari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders aan de gemeente Lingewaard een vrijstelling en een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een sportgebouw met een zwemvoorziening en een fitnessruimte op het perceel Van Nispenlaan te Bemmel.
Bij uitspraak van 8 december 2009, heeft de rechtbank de door appellante (= de appellant en anderen) daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben het college en de gemeente hoger beroep ingesteld bij de Raad van State, onder andere omdat er volgens het college geen sprake eis van verboden staatssteun.
Het geschil
De raad van State
overweegt:
2.5. Het college
en de gemeente betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet
bij voorbaat mocht worden aangenomen dat geen sprake is van ongeoorloofde
staatssteun en dat melding bij de Europese Commissie had dienen plaats te
vinden. Daartoe voeren zij aan dat de door de gemeente beschikbaar gestelde
financiële steun voor de exploitatie van het voorziene zwembad niet voldoet aan
alle in artikel 87, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap (hierna: het EG-Verdrag), thans artikel 107, eerste lid, van het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) genoemde
voorwaarden voor het bestaan van ongeoorloofde staatssteun. In dit verband
stellen zij dat met name niet wordt voldaan aan het voordeel-criterium en dat
evenmin sprake is van een ongunstige beïnvloeding van de interstatelijke
handel. Gelet hierop was voor aanmelding van de steunmaatregel bij de Europese
Commissie geen aanleiding, aldus het college en de gemeente.
2.5.1. Ingevolge
artikel 107, eerste lid, van het VWEU, zijn steunmaatregelen van de staten of
in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door
begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of
dreigen te vervalsen, behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien,
onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer
tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.Ingevolge artikel 108, derde lid, voor zover thans van belang, wordt de Commissie van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken.
2.5.2. Voorop wordt gesteld dat de vraag of de gemeente in dit geval in strijd met artikel 87, eerste lid, van het EG-Verdrag, thans artikel 107, eerste lid, van het VWEU, financiële steun heeft verleend, in deze procedure alleen aan de orde kan komen in het kader van de beoordeling of voldoende gewaarborgd is dat het bouwplan financieel uitvoerbaar is en dat het in die bepaling gaat om cumulatieve voorwaarden.
De gedingstukken en het verhandelde ter zitting geven geen aanleiding voor het oordeel dat de kans bestaat dat de door de gemeente aan de exploitant van het zwembad ter beschikking gestelde jaarlijkse exploitatiebijdragen het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig zullen beïnvloeden. Voor dit oordeel wordt steun gevonden in de beschikking van de Europese Commissie van 12 januari 2001, SG(2001) D/285046, N 258/00, Duitsland (Recreatiezwembad Dorsten). Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het met het bouwplan voorziene zwembad, waarop de exploitatiebijdragen zien en dat in hoofdzaak gericht is op instructie- en doelgroepzwemmen en op gebruik door lokale zwemverenigingen, dient ter vervanging van het bestaande gemeentelijke zwembad "De Hoenderik", waarvan de gebruikers hoofdzakelijk uit de kern Bemmel en regio Lingewaard komen. Het voorziene zwembad is aldus, evenals voornoemd zwembad in Dorsten, in hoofdzaak op een lokale doelgroep gericht. Voorts is niet gebleken dat met het voorziene zwembad is beoogd bezoekers uit andere lidstaten aan te trekken. Hierbij wordt mede in overweging genomen dat het zwembad een uitvoering heeft die zich niet door bijzondere voorzieningen onderscheidt van andere gewone zwembaden. De omstandigheid dat de afstand van Bemmel tot de grens met Duitsland korter is dan de afstand van Dorsten tot de grens met Nederland maakt dit niet anders, aangezien op korte afstand van Bemmel en op kortere afstand van de grens met Duitsland de stad Nijmegen is gelegen, die over meerdere vergelijkbare zwembaden beschikt. Nu reeds gelet op het voorgaande niet aannemelijk is dat de door de gemeente beschikbaar gestelde financiële steun in strijd is met artikel 107, eerste lid, van het VWEU, komt de Afdeling, waar het in deze bepaling om cumulatieve voorwaarden gaat, niet toe aan een oordeel over de vraag of aan de eveneens in artikel 107, eerste lid, van het VWEU vervatte voorwaarde van vervalsing van de mededinging is voldaan. Gelet op het voorgaande bestond geen aanleiding de steunmaatregel bij de Europese Commissie te melden overeenkomstig het bepaalde in artikel 108, derde lid, van het VWEU. Voorts bestaat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen grond voor het oordeel dat het college er niet in redelijkheid vanuit mocht gaan dat de financiële uitvoerbaarheid van het bouwplan verzekerd is. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
2.6. Het hoger
beroep van het college en de gemeente is gegrond. De aangevallen uitspraak
dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal
de Afdeling de beroepen van [appellante] en [belanghebbende] ongegrond
verklaren.
De beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
I. verklaart het hoger beroep van appellante en anderen ongegrond;
II. verklaart de hoger beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard en de gemeente Lingewaard gegrond
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 december 2009
De utispraak staat HIER
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
I. verklaart het hoger beroep van appellante en anderen ongegrond;
II. verklaart de hoger beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard en de gemeente Lingewaard gegrond
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 december 2009
De utispraak staat HIER
vrijdag 17 februari 2012
Ontbreken tewerkstellingsvergunning kost basketbalvereniging € 48.000,--
De feiten
De een basketbalvereniging heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de arbeidsinspectie van 14 december 2009 inzake het opleggen van een bestuurlijke boete in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna Wav.)
Tijdens een administratief onderzoek op in de onderneming van basketbalvereniging hebben medewerkers van de Arbeidsinspectie geconstateerd dat de basketbalvereniging zes arbeidskrachten arbeid liet verrichten bestaande uit het trainen en het spelen als basketbalspelers. Deze personen waren in het bezit van de Amerikaanse nationaliteit. In alle gevallen bleek een tewerkstellingsvergunning te zijn afgegeven maar ten aanzien van de zes basketbalspelers waren de tewerkstellingsvergunningen pas afgegeven enige tijd nadat de vreemdelingen reeds werkzaam waren. Ter zake is een boeterapport opgesteld. De arbeidsinspectie heeft de basketbalvereniging in kennis gesteld van het voornemen een boete op te leggen van € 48.000,- in verband met overtreding van de Wav. De basketbalvereniging heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak het verzoek toegewezen, in die zin dat het primaire besluit is geschorst tot zes weken na de verzending van de beslissing op bezwaar.
De een basketbalvereniging heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de arbeidsinspectie van 14 december 2009 inzake het opleggen van een bestuurlijke boete in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna Wav.)
Tijdens een administratief onderzoek op in de onderneming van basketbalvereniging hebben medewerkers van de Arbeidsinspectie geconstateerd dat de basketbalvereniging zes arbeidskrachten arbeid liet verrichten bestaande uit het trainen en het spelen als basketbalspelers. Deze personen waren in het bezit van de Amerikaanse nationaliteit. In alle gevallen bleek een tewerkstellingsvergunning te zijn afgegeven maar ten aanzien van de zes basketbalspelers waren de tewerkstellingsvergunningen pas afgegeven enige tijd nadat de vreemdelingen reeds werkzaam waren. Ter zake is een boeterapport opgesteld. De arbeidsinspectie heeft de basketbalvereniging in kennis gesteld van het voornemen een boete op te leggen van € 48.000,- in verband met overtreding van de Wav. De basketbalvereniging heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak het verzoek toegewezen, in die zin dat het primaire besluit is geschorst tot zes weken na de verzending van de beslissing op bezwaar.
Het Geschil
De basketbalvereniging heeft aangevoerd dat zij te goeder trouw is en alle afspraken en procedures heeft nageleefd. Voor het aanvragen van tewerkstellingsvergunningen zijn afspraken gemaakt tussen de Arbeidsinspectie /CWI/UWV en de Federatie Eredivisie Basketbal (FEB). De basketbalvereniging zegt de Wav niet overtreden te hebben. In de praktijk zijn afspraken gemaakt en vastgelegd in een bestendige gedragslijn, die al jaren wordt nageleefd zonder problemen. De basketbalvereniging doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
Voor zover er al sprake zou zijn van een overtreding, dan is die minimaal, niet toerekenbaar en is sprake van verschoonbare omstandigheden. Er is hier volgens de basketbalvereniging sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de arbeidsinspectie had moeten afzien van boeteoplegging. de basketbalvereniging beroept zich hier op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De basketbalvereniging heeft aangevoerd dat haar niet kan worden verweten
dat niet tijdig over de tewerkstellingsvergunningen werd beschikt, omdat zij
afhankelijk is van de vaste afspraken die zijn gemaakt tussen de arbeidsinspectie,
UWV en de FEB.
De voorzieningenrechter constateert dat de afgesproken werkwijze de basketbalvereniging niet ontslaat van haar verplichtingen in het kader van de Wav. Zij zal er zelf zorg voor moeten dragen dat de aanvragen - al dan niet via de FEB - tijdig en compleet worden ingediend. Tevens heeft de basketbalvereniging de spelers al laten werken alvorens zij een vergunning hebben gekregen en moest zij dus rekening houden met het risico op een boete.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de arbeidsinspectie voldoende onderzoek gedaan naar de afgesproken werkwijze en heeft hij daarmee terecht een boete opgelegd.
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het beroep wordt ongegrond verklaard.
Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.
De beslissing
De voorzieningenrechter:
-verklaart het beroep ongegrond;
-wijst het verzoek om voorlopige voorziening af
De voorzieningenrechter constateert dat de afgesproken werkwijze de basketbalvereniging niet ontslaat van haar verplichtingen in het kader van de Wav. Zij zal er zelf zorg voor moeten dragen dat de aanvragen - al dan niet via de FEB - tijdig en compleet worden ingediend. Tevens heeft de basketbalvereniging de spelers al laten werken alvorens zij een vergunning hebben gekregen en moest zij dus rekening houden met het risico op een boete.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de arbeidsinspectie voldoende onderzoek gedaan naar de afgesproken werkwijze en heeft hij daarmee terecht een boete opgelegd.
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het beroep wordt ongegrond verklaard.
Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.
De beslissing
De voorzieningenrechter:
-verklaart het beroep ongegrond;
-wijst het verzoek om voorlopige voorziening af
De uitspraak staat HIER
donderdag 16 februari 2012
Aansprakelijkheid wedstrijdleiders voor kart-ongeval
De feiten
In het arrest van 18 november 2008 heeft het hof onder meer overwogen dat X en Y jegens de aanklager onrechtmatig hebben gehandeld door een wedstrijd te laten plaatsvinden op een kartbaan, waarvoor niet alleen geen licentie was verleend, maar waaraan een licentie was onthouden en die enkele onveilige plaatsen bevatte, waaronder de plaats waar een persoon is doorgeschoten en tegen de aanklager is aangereden.
In het arrest van 18 november 2008 heeft het hof onder meer overwogen dat X en Y jegens de aanklager onrechtmatig hebben gehandeld door een wedstrijd te laten plaatsvinden op een kartbaan, waarvoor niet alleen geen licentie was verleend, maar waaraan een licentie was onthouden en die enkele onveilige plaatsen bevatte, waaronder de plaats waar een persoon is doorgeschoten en tegen de aanklager is aangereden.
Het geschil
De omstandigheid dat het hier gaat om de beoefening van een sport die aanzienlijke risico’s meebrengt leidt juist tot de conclusie dat op functionarissen als X en Y een bijzondere zorgplicht rust ten aanzien van de veiligheid van het circuit.
Het hof keert thans terug naar de beoordeling van het meer subsidiaire verweer van X en Y, inhoudend dat zij, gelet op de vóór de wedstrijd door de aanklager ondertekende vrijwaringsclausule niet aansprakelijk kunnen worden gehouden.
In het tussenarrest van 18 november 2008 is overwogen dat een kartbaan, juist met het oog op de mogelijkheid van technisch of menselijk falen, dient te voldoen aan strikte veiligheidseisen en dat een baanlicentie van de KNAF inhoudt dat de baan op het moment van uitschrijven van de licentie voldoet aan de normen en veiligheidseisen voor het houden van kartevenementen. Voorts is in dat arrest onder overwogen dat X en Y als wedstrijdleiders voor het naleven van de veiligheidsvoorschriften en reglementen van de KNAF de eindverantwoordelijkheid droegen, dat zij in gebreke zijn gebleven om te controleren of voor deze baan een licentie was verleend en dat zij in strijd met de reglementen van de KNAF hebben gehandeld door de wedstrijd op een niet goedgekeurd circuit te laten plaatsvinden.
Alle omstandigheden tezamen brengen het hof tot het
oordeel dat in dit geval sprake is van een zodanig ernstige vorm van
onachtzaamheid aan de zijde van X en Y dat een beroep op uitsluiting van
aansprakelijkheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar is.De omstandigheid dat het hier gaat om de beoefening van een sport die aanzienlijke risico’s meebrengt leidt juist tot de conclusie dat op functionarissen als X en Y een bijzondere zorgplicht rust ten aanzien van de veiligheid van het circuit.
Het hof keert thans terug naar de beoordeling van het meer subsidiaire verweer van X en Y, inhoudend dat zij, gelet op de vóór de wedstrijd door de aanklager ondertekende vrijwaringsclausule niet aansprakelijk kunnen worden gehouden.
In het tussenarrest van 18 november 2008 is overwogen dat een kartbaan, juist met het oog op de mogelijkheid van technisch of menselijk falen, dient te voldoen aan strikte veiligheidseisen en dat een baanlicentie van de KNAF inhoudt dat de baan op het moment van uitschrijven van de licentie voldoet aan de normen en veiligheidseisen voor het houden van kartevenementen. Voorts is in dat arrest onder overwogen dat X en Y als wedstrijdleiders voor het naleven van de veiligheidsvoorschriften en reglementen van de KNAF de eindverantwoordelijkheid droegen, dat zij in gebreke zijn gebleven om te controleren of voor deze baan een licentie was verleend en dat zij in strijd met de reglementen van de KNAF hebben gehandeld door de wedstrijd op een niet goedgekeurd circuit te laten plaatsvinden.
De Beslissing
Gerechtshof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 4 april 2001; en opnieuw rechtdoende
- verklaart voor recht dat X en Y hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van de aanklager als gevolg van het ongeval dat op 25 mei 1997 heeft plaatsgevonden;
- veroordeelt X en Y hoofdelijk tot het vergoeden van de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet
De uitspraak staat HIER
woensdag 15 februari 2012
Besluit tot weigering lidmaatschap door bestuur roeivereniging onrechtmatig?
Vonnis is een voortzetting van een eerdere uitspraak LJN BU 6276 van het gerechtshof.
De overwegingen van het gerechtshof
Bij de beoordeling van de
vordering stelt het hof voorop dat het bestuur van een vereniging – tenzij de
statuten anders bepalen – in beginsel de vrijheid heeft een persoon als lid te
weigeren. Op dit beginsel zijn onder bijzondere omstandigheden uitzonderingen
mogelijk.Dit heeft tot gevolg dat het bestuur van De Hertog op 18 april 2008 in beginsel de vrijheid had [X.] als lid te weigeren.
De Hertog heeft onvoldoende concreet feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat in het onderhavige geval een uitzondering op voormeld beginsel moet worden aangenomen.
Uitspraak van het gerechtshof
Wijst de vordering tot
verklaring van recht van X af. Veroordeelt het bestuur tot rectificatie (de
onenigheden waren niet zoals het bestuur zei te wijten aan X) en tot betaling
van de proceskostenDe uitspraak staat HIER
dinsdag 14 februari 2012
Mishandeling bij waterpolo
De feiten
De
verdachte zou met opzet persoon A tijdens een waterpolowedstrijd lang onder
water hebben gehouden, waardoor persoon A niet kon ademen. Verder heeft persoon
A hier zwaar lichamelijk letstel aan overgehouden.(posttraumatische stressstoornis).
De verdachte heeft zowel ter terechtzitting als bij de politie verklaard dat zij verhaal wilde halen waarom persoon A steeds een medespeelster van de verdachte trapte. Daarbij heeft zij persoon A ter hoogte van haar borst aan haar zwempak vastgepakt. Daarbij was het gezicht van persoon A steeds boven water, aldus verdachte. Na ongeveer een halve minuut kwamen van alle kanten mensen naar hen toe gezwommen, die hen uit elkaar hebben gehaald.
De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring tegengesteld is aan en daardoor niet ondersteund wordt door onder andere de getuigenverklaringen van beide scheidsrechters. Deze getuigen verklaren dat het zusje van de verdachte in conflict komt met persoon A, waarbij persoon A door haar al onder water wordt geduwd. Daarop zwemt de verdachte naar beide dames toe en duwt en houdt persoon A samen met haar zusje meermalen onder water. Ook de verklaringen van de overige 11 getuigen die zijn gehoord en waarvan de verklaringen zich in het politiedossier bevinden, zijn in overeenstemming met voormelde verklaringen van de scheidsrechters. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte persoon A onder water heeft geduwd en gehouden.
Overwegingen rechtbank
De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair ten laste gelegde, omdat zij geen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van persoon A.
De bewijsoverwegingen van de rechtbank:
Buiten redelijke twijfel is vast te stellen met welke intensiteit en duur persoon A door de verdachte onder water is geduwd en gehouden is de rechtbank van oordeel dat de kans dat persoon A hierdoor zou komen te overlijden niet aanmerkelijk is. De rechtbank zal verdachte dan ook van het primair ten laste gelegde feit vrijspreken.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet niet alleen vereist is dat verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans, maar dat zij deze kans ten tijde van de gedraging welbewust heeft aanvaard. Van degene die weet heeft van een aanmerkelijke kans, maar die ervan uitgaat dat het gevolg niet zal intreden kan wel gezegd worden dat zij met (grove) onachtzaamheid handelt, maar niet dat zij met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld.
De verdachte heeft zowel ter terechtzitting als bij de politie verklaard dat zij verhaal wilde halen waarom persoon A steeds een medespeelster van de verdachte trapte. Daarbij heeft zij persoon A ter hoogte van haar borst aan haar zwempak vastgepakt. Daarbij was het gezicht van persoon A steeds boven water, aldus verdachte. Na ongeveer een halve minuut kwamen van alle kanten mensen naar hen toe gezwommen, die hen uit elkaar hebben gehaald.
De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring tegengesteld is aan en daardoor niet ondersteund wordt door onder andere de getuigenverklaringen van beide scheidsrechters. Deze getuigen verklaren dat het zusje van de verdachte in conflict komt met persoon A, waarbij persoon A door haar al onder water wordt geduwd. Daarop zwemt de verdachte naar beide dames toe en duwt en houdt persoon A samen met haar zusje meermalen onder water. Ook de verklaringen van de overige 11 getuigen die zijn gehoord en waarvan de verklaringen zich in het politiedossier bevinden, zijn in overeenstemming met voormelde verklaringen van de scheidsrechters. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte persoon A onder water heeft geduwd en gehouden.
Overwegingen rechtbank
De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair ten laste gelegde, omdat zij geen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van persoon A.
De bewijsoverwegingen van de rechtbank:
Buiten redelijke twijfel is vast te stellen met welke intensiteit en duur persoon A door de verdachte onder water is geduwd en gehouden is de rechtbank van oordeel dat de kans dat persoon A hierdoor zou komen te overlijden niet aanmerkelijk is. De rechtbank zal verdachte dan ook van het primair ten laste gelegde feit vrijspreken.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet niet alleen vereist is dat verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans, maar dat zij deze kans ten tijde van de gedraging welbewust heeft aanvaard. Van degene die weet heeft van een aanmerkelijke kans, maar die ervan uitgaat dat het gevolg niet zal intreden kan wel gezegd worden dat zij met (grove) onachtzaamheid handelt, maar niet dat zij met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld.
De beslissing
De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte poging tot doodslag als bedoeling had, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken. De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte wel zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt bij persoon A (posttraumatische stressstoornis), door persoon A aanmerkelijk lang onder water te duwen en te houden.
De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte poging tot doodslag als bedoeling had, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken. De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte wel zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt bij persoon A (posttraumatische stressstoornis), door persoon A aanmerkelijk lang onder water te duwen en te houden.
De
rechtbank is van oordeel dat aan verdachte een werkstraf voor de duur van 120
uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis dient te worden opgelegd met
aftrek van de door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd. Daarnaast zal de
rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden
voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren opleggen om verdachte in te
prenten dat een gedraging als de onderhavige uiterst kwalijk is en zij die in
de toekomst moet vermijden.
De rechtbank acht voor de immateriële schade een bedrag van € 800 op zijn plaats.
De rechtbank acht voor de immateriële schade een bedrag van € 800 op zijn plaats.
De uitspraak dtaat HIER
maandag 13 februari 2012
Abonneren op:
Reacties (Atom)











