Het sport en recht blog is verplaatst naar het volgende adres:
http://sportenrecht.blogspot.com/
sport en recht
donderdag 15 maart 2012
zondag 11 maart 2012
vrijdag 9 maart 2012
Schaalmodel NAC stadion is verveelvoudiging in zin auteurswet. inbreuk rechten architect.
LJN: BT2760, Rechtbank Arnhem , Datum: 27-09-2011
Dat in het miniatuurmodel van Fanahave de wezenlijke kenmerken van het stadion zijn overgenomen ligt overigens ook voor de hand, omdat Fanahave juist een product op de markt heeft willen brengen dat een min of meer natuurgetrouwe weergave vormt van het oorspronkelijke voetbalstadion. Immers, de voornaamste doelgroep van het miniatuurmodel zijn de NAC-supporters. Voor de hand ligt dat zij geen miniatuurmodel willen van een willekeurig voetbalstadion, maar dat van het Rat Verlegh-stadion (het NAC-stadion), dat dus ook als zodanig herkenbaar moet zijn.
De uitspraak staat HIER
De feiten
BO.2 Architectuur is de architect van het voetbalstadion van NAC.
Zij zijn met Heijboer c.s. overeenkomst aangegaan:
- Licentiegever is auteursrechthebbende op het door hem gemaakte werk ter zake van het stadion.
- Licentiegever en Licentienemers zijn overeengekomen dat het een exclusieve licentie betreft, om schaalmodellen te vervaardigen en te verkopen.
Fanahave maakt inbreuk op de aan Heijboer c.s. toekomende intellectuele eigendomsrechten.
Het geschil
Fanahave wordt door Heijboer c.s. bevolen met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis iedere auteursrechtelijke inbreuk van het stadion te staken en gestaakt te houden. Verder wordt Fanahave geboden om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan haar afnemers te verzoeken om het exemplaar van het schaalmodel aan haar af te geven en te laten vernietigen door Fanahave.
Fanahave maakt inbreuk op de aan BO.2 toekomende auteursrechten op het stadion, nu het miniatuurmodel een in miniatuurversie vervaardigde verveelvoudiging is van het stadion. Bij een vergelijking van het stadion als auteursrechtelijk beschermd werk en het miniatuurmodel als beweerdelijk inbreukmakend werk moet volgens Heijboer c.s. worden vastgesteld dat het miniatuurmodel in zodanige mate auteursrechtelijk beschermde trekken van het stadion vertoont, dat de totaalindrukken die beide werken maken te weinig verschillen voor het oordeel dat het miniatuurmodel als een zelfstandig werk kan worden aangemerkt.
BO.2 Architectuur is de architect van het voetbalstadion van NAC.
Zij zijn met Heijboer c.s. overeenkomst aangegaan:
- Licentiegever is auteursrechthebbende op het door hem gemaakte werk ter zake van het stadion.
- Licentiegever en Licentienemers zijn overeengekomen dat het een exclusieve licentie betreft, om schaalmodellen te vervaardigen en te verkopen.
Fanahave maakt inbreuk op de aan Heijboer c.s. toekomende intellectuele eigendomsrechten.
Het geschil
Fanahave wordt door Heijboer c.s. bevolen met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis iedere auteursrechtelijke inbreuk van het stadion te staken en gestaakt te houden. Verder wordt Fanahave geboden om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan haar afnemers te verzoeken om het exemplaar van het schaalmodel aan haar af te geven en te laten vernietigen door Fanahave.
Fanahave maakt inbreuk op de aan BO.2 toekomende auteursrechten op het stadion, nu het miniatuurmodel een in miniatuurversie vervaardigde verveelvoudiging is van het stadion. Bij een vergelijking van het stadion als auteursrechtelijk beschermd werk en het miniatuurmodel als beweerdelijk inbreukmakend werk moet volgens Heijboer c.s. worden vastgesteld dat het miniatuurmodel in zodanige mate auteursrechtelijk beschermde trekken van het stadion vertoont, dat de totaalindrukken die beide werken maken te weinig verschillen voor het oordeel dat het miniatuurmodel als een zelfstandig werk kan worden aangemerkt.
Dat in het miniatuurmodel van Fanahave de wezenlijke kenmerken van het stadion zijn overgenomen ligt overigens ook voor de hand, omdat Fanahave juist een product op de markt heeft willen brengen dat een min of meer natuurgetrouwe weergave vormt van het oorspronkelijke voetbalstadion. Immers, de voornaamste doelgroep van het miniatuurmodel zijn de NAC-supporters. Voor de hand ligt dat zij geen miniatuurmodel willen van een willekeurig voetbalstadion, maar dat van het Rat Verlegh-stadion (het NAC-stadion), dat dus ook als zodanig herkenbaar moet zijn.
De beslissing
Het een en ander leidt tot de conclusie dat het miniatuurmodel van Fanahave moet worden aangemerkt als een verveelvoudiging van het stadion, hetgeen een inbreuk oplevert op het overgedragen auteursrecht van Heijboer c.s., voor die verveelvoudiging is geen toestemming gegeven.
De voorzieningenrechter beveelt Fanahave met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis ieder auteursrechtelijke inbreuk ter zake van het stadion te staken en gestaakt te houden en gebiedt Fanahave om aan haar afnemers te verzoeken om hun exemplaar van het miniatuurmodel aan haar af te geven, om het voor eigen rekening te vernietigen.
Het een en ander leidt tot de conclusie dat het miniatuurmodel van Fanahave moet worden aangemerkt als een verveelvoudiging van het stadion, hetgeen een inbreuk oplevert op het overgedragen auteursrecht van Heijboer c.s., voor die verveelvoudiging is geen toestemming gegeven.
De voorzieningenrechter beveelt Fanahave met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis ieder auteursrechtelijke inbreuk ter zake van het stadion te staken en gestaakt te houden en gebiedt Fanahave om aan haar afnemers te verzoeken om hun exemplaar van het miniatuurmodel aan haar af te geven, om het voor eigen rekening te vernietigen.
De uitspraak staat HIER
School niet aansprakelijk voor ongeval tijdens gymnastiekles
LJN AY4382, Rechtbank Haarlem, datum:19-07-2006
De feiten
N. nam als brugklasser op de Da Vinci-school deel aan de gymnastiekles gegeven door de docent lichamelijk opvoeding mevrouw P., die in dienst van Da Vinci is.
Tijdens deze gymnastiekles is N. bij het onderdeel hordelopen ten val gekomen, waarbij zij haar been op twee plaatsen heeft gebroken.
Da Vinci is door de rechtsbijstandverzekeraar van Z. (de vertegenwordiger van N.) aansprakelijk gesteld voor schade tengevolge van het ongeval.
Het geschil
Z. vordert veroordeling van Da Vinci tot vergoeding van als gevolg van het ongeval te lijden schade. Het gaat hier om letsel dat is ontstaan in de gymnastiekles onder leiding van een door Da Vinci aangestelde leerkracht, waarbij de te beantwoorden vraag is of de leerkracht bij het leiding geven is tekortgeschoten in de zorg die van haar jegens de leerlingen van de gymnastiekoefening kan worden gevergd.
P. over de genomen maatregelen:
Kinderen mogen niet meedoen als hun techniek onvoldoende is en evenmin als hun houding niet goed is. In de klas van N. was dat niet aan de orde, de kinderen deden allemaal goed mee en de sfeer was goed. Tussen de banen waar de leerlingen liepen, waren vrije banen. Die ruimte tussen de hordebanen is nodig voor de veiligheid. Ze mogen niet eerder lopen dan op het teken van P., dit uit een oogpunt van veiligheid. Als een baan niet vrij is mag er nog niet gelopen worden.
N. kwam niet goed uit met haar passen. Wat je dan kunt doen is stoppen en om de horde heenlopen (dit is ook een reden waarom er een baan naast vrij wordt gehouden) of doorgaan. Bij het doorgaan loop je of tegen de horde aan of je gaat toch springen en zet dan met het verkeerde been af. N. besloot door te gaan en te springen. Ze landde met haar voet op de horde en is omgeknakt. Haar been is daarbij op twee plaatsen gebroken.
De beslissing
Er wordt volgens een speciaal plan gewerkt. Er zijn maatregelen getroffen met het oog op de veiligheid van de kinderen (o.a. lagere hordes met schuimrubber). Er zijn instructies ter voorkoming van ongevallen, zoals het uitsluitend springen bij een vrije baan, die tevens de uitwijkmogelijkheid kan vormen in het geval een leerling bij een sprong niet goed uitkomt, en een juiste mate van concentratie bij de leerlingen.
Een en ander voert tezamen genomen tot de conclusie dat, in het licht van de genoemde inrichting van het gymnastiekonderwijs en de veiligheidsmaatregelen die P. heeft genomen, de kans op een ongeval niet zo groot was dat zij de bewuste oefening niet had mogen laten uitvoeren. Da Vinci is derhalve niet aansprakelijk voor de schade die N. als gevolg van het ongeval heeft geleden wegens het ontbreken van een onrechtmatige gedraging van P..
Z. zal als de in het ongelijkgestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.
De uitpsraak staat HIER
De feiten
N. nam als brugklasser op de Da Vinci-school deel aan de gymnastiekles gegeven door de docent lichamelijk opvoeding mevrouw P., die in dienst van Da Vinci is.
Tijdens deze gymnastiekles is N. bij het onderdeel hordelopen ten val gekomen, waarbij zij haar been op twee plaatsen heeft gebroken.
Da Vinci is door de rechtsbijstandverzekeraar van Z. (de vertegenwordiger van N.) aansprakelijk gesteld voor schade tengevolge van het ongeval.
Het geschil
Z. vordert veroordeling van Da Vinci tot vergoeding van als gevolg van het ongeval te lijden schade. Het gaat hier om letsel dat is ontstaan in de gymnastiekles onder leiding van een door Da Vinci aangestelde leerkracht, waarbij de te beantwoorden vraag is of de leerkracht bij het leiding geven is tekortgeschoten in de zorg die van haar jegens de leerlingen van de gymnastiekoefening kan worden gevergd.
P. over de genomen maatregelen:
Kinderen mogen niet meedoen als hun techniek onvoldoende is en evenmin als hun houding niet goed is. In de klas van N. was dat niet aan de orde, de kinderen deden allemaal goed mee en de sfeer was goed. Tussen de banen waar de leerlingen liepen, waren vrije banen. Die ruimte tussen de hordebanen is nodig voor de veiligheid. Ze mogen niet eerder lopen dan op het teken van P., dit uit een oogpunt van veiligheid. Als een baan niet vrij is mag er nog niet gelopen worden.
N. kwam niet goed uit met haar passen. Wat je dan kunt doen is stoppen en om de horde heenlopen (dit is ook een reden waarom er een baan naast vrij wordt gehouden) of doorgaan. Bij het doorgaan loop je of tegen de horde aan of je gaat toch springen en zet dan met het verkeerde been af. N. besloot door te gaan en te springen. Ze landde met haar voet op de horde en is omgeknakt. Haar been is daarbij op twee plaatsen gebroken.
De beslissing
Er wordt volgens een speciaal plan gewerkt. Er zijn maatregelen getroffen met het oog op de veiligheid van de kinderen (o.a. lagere hordes met schuimrubber). Er zijn instructies ter voorkoming van ongevallen, zoals het uitsluitend springen bij een vrije baan, die tevens de uitwijkmogelijkheid kan vormen in het geval een leerling bij een sprong niet goed uitkomt, en een juiste mate van concentratie bij de leerlingen.
Een en ander voert tezamen genomen tot de conclusie dat, in het licht van de genoemde inrichting van het gymnastiekonderwijs en de veiligheidsmaatregelen die P. heeft genomen, de kans op een ongeval niet zo groot was dat zij de bewuste oefening niet had mogen laten uitvoeren. Da Vinci is derhalve niet aansprakelijk voor de schade die N. als gevolg van het ongeval heeft geleden wegens het ontbreken van een onrechtmatige gedraging van P..
Z. zal als de in het ongelijkgestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.
De uitpsraak staat HIER
12 maanden gevangenisstraf voor afsteken vuurwerkbom in voetbalstadion
Binnensmokkelen in een
voetbalstadion tijdens de voetbalwedstrijd Heracles-NEC van twee explosieve
voorwerpen waarvan er één, een zogenaamde vuurwerkbom, tot ontploffing is
gebracht. Medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen bewezen
verklaard.
Straf: Verdachte wordt
veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien (18) maanden, waarvan zes (6)
maandenvoorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
De uitspraak staat HIER
De telegraaf pikt het bericht
ook op. HIER.
Een eerder bericht over
deze zaak in dagblad Tubantia. HIER.
woensdag 7 maart 2012
Paard verongelukt in cross country wedstrijd. Zijn sportvereniging, bond en/of parcoursbouwer aansprakelijk?
Een ruiter neemt, met zijn paard deel aan een cross
country wedstrijd. Bij een cross country wedstrijd dienen door ruiter en paard
volgens een vooraf bepaalde route verschillende soorten hindernissen te worden
genomen zoals wallen, waterbak passages, greppels en constructies met
boomstammen.
Bij de 21ste hindernis gaat
het mis. Het paard zet niet goed af, waardoor het niet hoog genoeg van de grond
komt en het in aanraking komt met de hindernis. Als gevolg hiervan zijn ruiter
en paard ten val gekomen, waarbij het paard zo ernstig gewond is geraakt dat
het ter plaatse door de dierenarts geeuthaniseerd.
De hindernis was niet
goed opgebouwd. Bij de hindernis heeft het paard niet hoog genoeg gesprongen en
is daardoor met de voorbenen tegen het dak van de boerderij-hindernis
aangekomen. Omdat de boerderij niet verankerd was is de hindernis twee keer
gekanteld waarbij de hindernis een veilige landing voor het paard belemmerde.
De ruiter spreekt drie
partijen aan tot betaling van schadevergoeding. Ten eerste de organisator,
paarden- en ponysportvereniging "Princenhage", ten tweede de
Koninklijke Hyppische Sportfederatie en tot slot de parcoursbouwer, de maker
van de hindernis.
Princenhage stelt niet aansprakelijk
te zijn op grond van een onrechtmatige daad. Princenhage is van mening dat de
vereniging geen enkel verwijt treft en dat Princenhage de wedstrijd heeft georganiseerd
met inachtneming van de toepasselijke reglementen en met de grootst mogelijke
zorgvuldigheid.
De rechtbank is van
mening dat het hier niet gaat om aansprakelijkheid op grond van een onrechtmatige
daad, maar aansprakelijkheid op grond van het niet nakomen van de overeenkomst
tussen Princenhage en de ruiter. De rechtbank stelt vast dat de ruiter zich
voor de, door Princenhage te organiseren wedstrijd, heeft ingeschreven met
behulp van een wedstrijdformulier, dat hij het verschuldigd inschrijfgeld heeft
betaald, dat hij akkoord is gegaan met de voorwaarden waaronder de wedstrijd
door Princenhage werd aangeboden
In de overeenkomst stond
een exoneratieclausule. De clausule luidde: “de wedstrijdgevende organisatie,
noch ieder andere betrokkene bij de wedstrijd kan op enigerlei wijze
aansprakelijk en of verantwoordelijk worden gesteld omtrent schade in welke
vorm dan ook aan personen, paarden en of materiaal. Zowel deelnemers als
bezoekers nemen deel en of zijn aanwezig op eigen risico.”
De ruiter meent, dat deze
clausule hem niet kan worden tegengeworpen op grond van maatstaven van
redelijkheid en billijkheid. De rechtbank is het met de ruiter eens. Princenhage is op grond van de overeenkomst gehouden om de ruiter een wedstrijd parcours aan
te bieden, dat voldort aan de veiligheidsregels. Wanneer het parcours hierin tekortschiet,
zoals in dit geval, door handelen of nalaten van de parcoursbouwer is dit aan
Princenhage als organiserende vereniging toe te rekenen.
Het feit dat er geen
sprake was van opzet of roekeloosheid van Princenhage, dat de ruiter wist dat
er behoorlijke risico's aan deelname zaten en dat de ruiter op de hoogte was
van de exoneratieclausule zijn voor de rechtbank niet doorslaggevend voor
beoordeling van de vraag of de clausule tussen partijen aansprakelijkheid in de
weg staat. Anders ligt dat bij de verzekerbaarheid: vaststaat dat Princenhage (maar
ook de andere gedaagden) zich hebben verzekerd juist tegen het risico van dit
soort ongevallen. Gedaagden hebben dat gedaan omdat niet alleen het risico op
een ongeval groot is, maar ook omdat de schade in voorkomende gevallen
aanzienlijk kan zijn. Nu zij juist met het oog op dit type schades de
verzekeringsovereenkomst hebben gesloten ten behoeve van onder andere de ruiter
valt niet in te zien, waarom Princenhage in redelijkheid nog een beroep op
exoneratie toe zou moeten komen.
Princenhage is dus
aansprakelijk voor de schade en het beroep op de exoneratieclausule gaat niet
op.
De rechtbank acht ook de
parcoursbouwer aansprakelijk. De parcoursbouwer verweert zich door te stellen
dat hij slechts werkte op verzoek van Princenhage, daar geen vergoeding voor
kreeg en dat de technisch afgevaardigden hebben bevestigd dat de hindernis in
orde was. Al deze argumenten overtuigen de rechtbank niet. Volgens de rechtbank
valt niet in te zien waarom de parcoursbouwer, als ontwerper en bouwer, van de
hindernis niet aansprakelijk zou zijn, als vaststaat dat de schade het gevolg is van een of meer fouten aan
de hindernis.
De aansprakelijkheid van
de Koninklijke Hyppische Sportfederatie wijst de rechtbank af. Feitelijk heeft de
Koninklijke Hyppische Sportfederatie geen bemoeienis gehad bij de organisatie
van de wedstrijd. Het enkele feit dat deze wedstrijd werd georganiseerd onder
haar auspiciën maakt haar immers nog geen mede organisator. De rechtbank vindt
dan ook dat de Koninklijke Hyppische Sportfederatie niet aansprakelijk gesteld
kan worden.
De rechtbank veroordeelt
Princenhage en de parcoursbouwer (nog) niet tot het betalen van schadevergoeding
aan de ruiter. De rechtbank biedt Princenhage en de parcoursbouwer nog de
mogelijkheid om te bewijzen dat de schade ook zou zijn ontstaan als het parcours
wel goed zou zijn opgebouwd.
De uitspraak staat HIER
maandag 5 maart 2012
Voor de paardenliefhebber: van hoefbevangenheid, laster, luchtzuiger en artrose
Hieronder vier vrij
recente uitspraken over de koop van een paard, waarbij de koper uiteindelijk
niet blij was met de koop en zich tot de rechter wendde.Datum uitspraak: 01-11-2011
Datum publicatie: 01-11-2011
Inhoudsindicatie:
Paard met hoefbevangenheid. Overeenkomst gesloten o.i.v. dwaling. Koper vordert vergoeding van het geleden nadeel (art. 6:230 lid 2 BW). Vordering toegewezen.
Datum uitspraak: 01-02-2012
Datum publicatie: 17-02-2012
Inhoudsindicatie:
Vervolg op LJN: BP 3414. non-conformiteit van een paard. Na deskundigenbericht oordeelt de rechtbank dat de non-conformiteit wegens de artrose en/of vanwege het (na wijziging van de grondslag van de eis aangevoerde) niet aan de teugel kunnen lopen, niet is komen vast te staan. De buitengerechtelijke ontbinding door eiseres heeft dus geen effect gehad. Vorderingen afgewezen, ook op de (meer) subsidiaire grondslagen nu daaraan hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt en de gestelde feiten niet zijn komen vast te staan.
Datum uitspraak: 18-01-2012
Datum publicatie: 10-02-2012
Inhoudsindicatie:
Door eiseres van gedaagde gekochte pony "zuigt lucht" en is daarmee gebrekkig. Er is op tijd geklaagd en er is geen sprake van schending van een onderzoeksplicht door eiseres. De stelling van gedaagde dat vanwege de aard van de zaak, te weten een levend dier, het wettelijke bewijsvermoeden zoals neergelegd in artikel 7:18 lid 2 BW niet zou gelden, gaat gelet op de wetsgeschiedenis niet op. Bewijsopdracht aan gedaagde dat het gebrek niet aanwezig was ten tijde van de aflevering van de pony
Datum uitspraak: 14-12-2011
Datum publicatie:12-01-2012
Inhoudsindicatie:
Afwijzing vordering tot nakoming van koopovereenkomst met betrekking tot paard. Onmogelijkheid tot afgifte paard doordat paard is verkocht en overgedragen aan een derde leidt tot wanprestatie en lost zich noodgedwongen op in schadevergoeding. Reconventionele vordering tot staking lasterpraktijken. Artikel 6:171 BW niet van toepassing op een in privé gegeven opdracht.
Abonneren op:
Reacties (Atom)


